Saskia de Groot stond in het statige kantoor aan de Herengracht, haar vingers wit om de leren map met haar cum laude diploma van de Universiteit Leiden. Buiten striemde de oktoberregen tegen de hoge ramen, binnen rook het naar boenwas, oud papier en sigarenrook die diep in de gordijnen was getrokken. De portretten van vier generaties mannen met baarden en fronsende wenkbrauwen leken haar zwijgend te waarschuwen. ‘Ga zitten, Saskia,’ zei haar vader Willem de Groot zonder op te kijken van de stapels dossiers op zijn eikenhouten bureau.

Zijn vulpen kraste over het papier. Saskia ging op het puntje van de leren stoel zitten. Ze had zich voorbereid zoals ze zich op haar pleidooien voorbereidde: feilloos. Ze legde de map op het bureau, precies in het midden.
‘Vader,’ begon ze, haar stem vastberaden, ‘ik heb de cijfers van het afgelopen kwartaal geanalyseerd. Ik heb een voorstel uitgewerkt om onze cliëntenportefeuille te moderniseren. Met mijn specialisatie in intellectueel eigendom kunnen we de nieuwe technologiebedrijven in Amsterdam-Noord aanspreken. Die markt is nu nog volledig voor ons open.
’
Willem legde zijn pen neer en zuchtte diep, alsof haar ambitie een last was die hij moest dragen. Hij leunde achterover en vouwde zijn handen over zijn buik. ‘Je hebt hard gewerkt, Saskia. Dat ontken ik niet.
Je cijfers zijn bewonderenswaardig. Maar de advocatuur, de echte advocatuur zoals wij die hier bedrijven, is geen theorie. Het is strijd. Het is mannenwerk.
’
Saskia verstijfde. Ze had dit eerder gehoord, weggewuifd als ouderwetse grappen van een man die in de vorige eeuw leefde. Maar nu klonk het niet als een grap. ‘Ik heb besloten dat Bram per één januari toetreedt als juniorpartner,’ ging Willem verder, zijn stem vlak en zakelijk.
‘Hij zal klaargestoomd worden om de zaak over te nemen. De naam op de gevel is De Groot en Zonen, Saskia. En dat zal zo blijven. ’
Saskia keek naar de hoek van de kamer, waar ze hem nu pas echt opmerkte.
Bram, haar jongere broer, stond tegen de boekenkast geleund, zijn handen nonchalant in de zakken van een maatpak dat net iets te duur en net iets te strak zat. Hij keek verveeld naar zijn telefoon, alsof de toekomst van het familiebedrijf hem nauwelijks interesseerde. ‘Dit is een grap toch? ’ Saskia’s stem schoot omhoog.
‘Bram heeft drie jaar langer over zijn studie gedaan dan ik. Hij heeft zijn bar examen pas bij de tweede poging gehaald. Hij is nooit op kantoor voor tienen en hij staat als eerste bij de vrijdagmiddagborrel. ’
‘Bram heeft de juiste eigenschappen,’ zei Willem stug.
‘Hij kan overweg met de cliënten. In de sociëteit, op de golfbaan. Daar worden de zaken gedaan, niet in de bibliotheek. Connecties, Saskia.
’
‘Je bedoelt dat hij goed is in borrelen met oude mannen? Kijk naar de cijfers. De wereld verandert. Cliënten willen resultaat.
Als je Bram de leiding geeft, rijdt hij dit kantoor de afgrond in. ’
‘Genoeg. ’ Willem sloeg met zijn vlakke hand op het tafelblad. ‘Je wordt emotioneel.
Precies daarom ben je ongeschikt. Een vrouw aan het roer straalt zwakte uit. Onze cliënten vertrouwen op traditie, op stabiliteit. ’
Bram keek eindelijk op, een smalende grijns om zijn lippen.
‘Het spijt me, zusje. Het is gewoon hoe het werkt. Misschien kun je parttime juridisch medewerker worden. We hebben iemand nodig om de contracten te controleren.
Ik ben niet zo van de details, dat weet je. ’
De arrogantie waarmee hij haar jarenlange werk reduceerde tot voetnoten in zijn succesverhaal was alsof iemand een emmer ijskoud grachtenwater over haar hoofd gooide. Alle hoop om haar vader trots te maken, spoelde weg. Wat overbleef was een helder, pijnlijk inzicht: ze hoorde hier niet.
Niet omdat ze niet goed genoeg was, maar omdat ze te goed was voor deze fossiele wereld. Saskia pakte haar leren map. Ze klemde hem tegen haar borst en rechte haar rug. De tranen brandden achter haar ogen, maar ze weigerde ze te laten vallen.
Niet hier. Niet voor hen. ‘Je denkt dat je de traditie beschermt,’ zei ze zacht. ‘Maar je tekent het doodvonnis van je eigen levenswerk.
Bram heeft niet de ruggengraat om dit bedrijf te dragen, en jij bent te trots om dat te zien. ’
‘Ik heb geen preek nodig van mijn dochter. De deur is daar. ’
Bij de drempel draaide Saskia zich nog één keer om.
‘Dan is dit geen familiebedrijf meer, maar een zinkend schip. Succes, vader. ’
Ze liep de gang door, de trap af, de deur uit, de regen in. De koude wind sloeg in haar gezicht, maar het voelde niet als straf.
Het voelde als vrijheid. Twee jaar later zat Saskia in haar kleine kantoor in Rotterdam-Zuid over een stapel routinecontracten gebogen toen haar telefoon overging met een nummer dat ze niet herkende. Het was een grijze novembermiddag, zo’n dag waarop de lucht boven de Maas dezelfde kleur had als het beton van de kades. Haar kantoor was het tegenovergestelde van de statige vesting aan de Herengracht: functionele meubels, TL-verlichting die soms flikkerde, uitzicht op een druk kruispunt.
Maar het was van haar. ‘Spreek ik met mevrouw De Groot, de dochter van Willem? ’ De stem klonk bekend, een echo uit het verleden. ‘Met wie spreek ik?
’ vroeg Saskia voorzichtig. ‘Dit is Elsbeth van der Ven, CEO van Koninklijke Metaalwaren. ’
Saskia stopte met ademen. Koninklijke Metaalwaren was een van de parels in de kroon van De Groot en Zonen, een bedrijf dat haar vader al dertig jaar vertegenwoordigde.
‘Ik bel niet voor je vader,’ onderbrak Elsbeth haar scherp. ‘Ik bel jou. Ik moet je spreken. Café De Jaren in Amsterdam, over twee uur.
Ik trakteer. ’
Voor Saskia kon protesteren dat Amsterdam niet bepaald om de hoek lag, was de verbinding verbroken. Nieuwsgierigheid won het van de logica. Ze pakte haar jas en haastte zich naar Rotterdam Centraal.
Toen ze het café binnenliep, zag ze Elsbeth direct zitten aan een tafel bij het raam, uitkijkend over de Amstel. Van dichtbij zag Saskia de donkere kringen onder haar ogen. ‘Dank dat je bent gekomen. Er is alles mis, Saskia.
Je vaders kantoor is een puinhoop. Bram reageert niet op mails. Als ik bel is hij in vergadering of op de golfbaan. Vorige maand hebben we bijna een cruciale milieuvergunning voor onze fabriek in Groningen gemist.
De aanvraag lag drie weken op zijn bureau. Drie weken. En Bram lachte het weg als een administratief foutje. Schade: tonnen.
’
Saskia zweeg. Het was precies waar ze voor had gewaarschuwd. ‘Waarom vertelt u mij dit? Ik ben een kleine zelfstandige in Rotterdam.
’
Elsbeth keek haar indringend aan. ‘Ik zoek niet zomaar een advocaat. Ik zoek degene die het werk echt deed. Toen ik vorige week woedend naar je vaders kantoor belde, kreeg ik mevrouw Jansen aan de lijn.
Ze zei: “Als u wilt dat het goed komt, moet u niet bij meneer Willem zijn, en al helemaal niet bij meneer Bram. U moet Saskia hebben. Zij was het brein achter de laatste drie fusies. ”’
Saskia voelde een brok in haar keel.
Mevrouw Jansen, die haar vroeger stiekem pepermuntjes gaf, had haar loyaliteit niet aan het instituut gegeven, maar aan de competentie. Elsbeth school een dikke dossiermap over de tafel. ‘Dit is een fusie van vijftig miljoen met een Duitse partner. Het is complex, internationaal en het moet gisteren af zijn.
Je vaders kantoor maakt er een potje van. Ik heb iemand nodig die scherp is, die de kleine lettertjes leest voordat ik teken. Als je dit dossier binnen zestig dagen kunt rechtbreien, is het hele account van Koninklijke Metaalwaren van jou. Inclusief alle toekomstige zaken.
’
Saskia legde haar hand op het dossier. ‘U weet dat dit oorlog betekent met mijn vader? ’
Elsbeth knikte langzaam, een grimme glimlach om haar lippen. ‘Ik reken erop.
Oorlog voeren doe je niet alleen. Je hebt een generaal nodig die de loopgraven kent en niet bang is voor een beetje modder op haar uniform. ’
Terwijl Saskia met het zware dossier in haar tas de Erasmusbrug overstak, wist ze precies wie ze moest bellen. Anke van der Berg, haar studiegenoot in Leiden, die altijd als enige op sneakers naar colleges kwam.
Anke had woord gehouden: ze was naar Rotterdam vertrokken om haar eigen kantoor te starten in de Rotterdam, het gigantische glazen gebouw dat leek op blokken die achteloos op elkaar waren gestapeld. In Ankers kantoor, met uitzicht over de Maas, legde Saskia het dossier op tafel. ‘Koninklijke Metaalwaren,’ las Anke hardop. Ze floot zachtjes.
‘Dat is de walvis, Sas, de grootste cliënt van je vader. Hoe heb je die in vredesnaam in je netten gekregen? ’
‘Bram. Zijn incompetentie heeft ze recht in mijn armen gedreven.
Ze geven ons een kans: zestig dagen om een fusie te redden die mijn broer bijna heeft laten klappen. Ik ken de cliënt, jij hebt de infrastructuur. Samen zijn we onverslaanbaar. We delen de winst vijftig-vijftig.
’
Anke grinnikte breed. ‘Ik vind het prachtig. Wanneer moeten we pitchen? ’
‘Morgenochtend.
Voor het hele bestuur. ’
De bestuurskamer van Koninklijke Metaalwaren was een intimiderende ruimte van gepolijst mahonie en leer. Aan het hoofd van de tafel zat meneer De Vries, de voorzitter van de raad van commissarissen, een man met een gezicht dat leek alsof het uit graniet was gehouwen. Hij bladerde door het voorstel dat Saskia en Anke de hele nacht hadden voorbereid.
De stilte duurde lang. Te lang. ‘Mevrouw De Groot. Ik ken uw vader al dertig jaar.
Willem is een instituut in juridisch Nederland. En u? Bent jong. U en uw compagnon hebben een kantoor dat nog geen vijf jaar bestaat.
U vraagt ons om deze fusie van vijftig miljoen in handen te leggen van nieuwkomers. ’
Saskia voelde Anke naast zich verstrakken, maar ze legde onopvallend een hand op haar arm. Dit was haar gevecht. ‘Meneer De Vries, u heeft gelijk.
Mijn vader heeft veertig jaar ervaring. Maar ervaring die slaapt is niets waard. Ervaring die arrogant is geworden en denkt dat details er niet meer toe doen, is gevaarlijk. Kijkt u eens naar pagina 42, paragraaf drie, clausule B.
Dit is het conceptcontract dat mijn broer Bram vorige week naar u heeft gestuurd. Er staat dat bij milieuclaims de aansprakelijkheid volledig bij u blijft liggen, zelfs na de fusie. In de versie die ik twee jaar geleden als stagiaire heb voorbereid was die aansprakelijkheid gedeeld. Bram heeft de clausule van de tegenpartij gewoon gekopieerd zonder te lezen.
Had u dit getekend en lekt er volgend jaar ergens in Duitsland olie, dan was Koninklijke Metaalwaren failliet geweest. ’
Het werd doodstil in de kamer. De Vries las de tekst twee keer, drie keer. Toen keek hij op, en de minachting in zijn ogen was verdwenen.
‘Mijn vader vertrouwde op zijn naam,’ zei Saskia zacht. ‘Wij vertrouwen op de inhoud. Wat heeft u liever aan uw zijde bij een fusie? Een instituut dat slaapt, of nieuwkomers die wakker zijn?
’
De Vries sloot de map langzaam. Hij keek naar zijn medebestuursleden, die instemmend knikten, en stak zijn hand uit over de tafel. ‘U heeft zestig dagen, dames. Maak het waar.
En als deze fusie slaagt, verhuist ons hele archief naar Rotterdam. ’
Buiten slaakte Anke een kreet die niets met zakelijkheid te maken had. ‘Zag je zijn gezicht? Je hebt hem gesloopt met één paragraaf, Sas.
’
Die avond, terug in haar kleine appartement, toetste Saskia het nummer van haar moeder in. ‘Mam, zeg nog niets tegen papa. Hij zal het binnenkort zelf wel merken. Maar de revolutie is begonnen, en ik denk dat ik ga winnen.
’
Aan de andere kant hoorde ze haar moeder zachtjes lachen, een geluid van trots en medeplichtigheid. ‘Zet hem op, lieverd. Het werd tijd. ’
De inkt op het contract was nog niet droog of de eerste schoten in de oorlog tussen vader en dochter werden afgevuurd.
Drie dagen na het nieuws dat Koninklijke Metaalwaren overstapte, belde Willem. Zijn stem was kalm, maar de woede erachter was ijskoud. ‘Gefeliciteerd. Je moet wel erg trots zijn op jezelf.
Je hebt mijn cliënt gestolen. Dertig jaar loyaliteit, en jij breekt dat in één middag af met moderne trucjes. Denk maar niet dat ik dit over mijn kant laat gaan. Ik heb vrienden, Saskia.
Vrienden in de raad van discipline, vrienden in de pers. Als je oorlog wilt, kun je die krijgen. ’
De verbinding werd verbroken. En in de weken die volgden merkte Saskia de gevolgen.
Een potentiële nieuwe cliënt belde op het laatste moment af. Een oude studievriend vertelde haar tijdens een lunch dat haar vader rondvertelde dat ze vertrouwelijke dossiers had gestolen. ‘Iedereen die jou kent weet dat het onzin is, Sas. Maar de oude garde gelooft hem.
Ze noemen je onethisch. ’
De echte klap kwam niet via roddel, maar via een telefoontje van Bram, twee dagen voor Kerstmis. Zijn stem klonk niet arrogant. Hij klonk bang.
‘Het verlies van Metaalwaren hakt erin, Sas. Onze omzet is met dertig procent gedaald. Vader heeft mevrouw Jansen ontslagen. Per direct.
Ze is achtenzestig, zou over drie maanden met pensioen gaan. Hij weigert haar gouden handdruk uit te keren. Hij zegt dat zij het lek was, dat zij jou heeft getipt. Ik kon niets doen.
Hij is de baas. ’
Saskia voelde geen woede meer. Dit was walging. Mevrouw Jansen, die veertig jaar lang de koffie had gezet, de verjaardagen had onthouden en de spelfouten uit Willems brieven had gehaald, was weggegooid als meubilair.
Zonder een moment te aarzelen reed Saskia naar Amsterdam. Daar, op de koude stenen stoep van het kantoor aan de Herengracht, zat een klein figuurtje op een kartonnen doos, huilend in de regen. Saskia knielde naast haar neer. ‘Kom, u gaat met mij mee.
U bent aangenomen. Ik heb geen secretaresse nodig, ik heb een office manager nodig. Iemand die mijn jonge team kan leren wat loyaliteit en accuratesse betekent. En ik betaal u tien procent meer dan mijn vader deed.
Inclusief pensioenopbouw. ’
Mevrouw Jansen keek op, haar bril beslagen, haar gezicht rood. ‘Jouw vader heeft vanmiddag alle fysieke dossiers van Metaalwaren in de kluis gesloten. Hij zei: “Laat ze maar procederen om hun papierwerk.
” Zonder die mappen kunnen jullie niets. ’
Saskia keek haar aan. ‘Dat gaat ons vertragen, dat is zeker. ’
Mevrouw Jansen veegde haar neus af en een klein, ondeugend lachje verscheen op haar betraande gezicht.
‘Hij vergeet één ding. Hij vergeet wie al die jaren de back-up tapes heeft beheerd, en wie de masterwachtwoorden heeft van de cloudserver die hij nooit wilde gebruiken, maar die ik voor de zekerheid toch heb ingericht. Jouw vader denkt dat hij de dossiers heeft, Saskia. Maar ik heb de toegangscodes.
En morgenochtend zien we wel wie er echt de controle heeft over de administratie. ’
Het keerpunt kwam in februari. In de kleine, incestueuze wereld van de Nederlandse advocatuur is reputatie alles, en Willem de Groot had de afgelopen twee maanden zijn uiterste best gedaan om die van zijn dochter te vergiftigen. Op de jaarlijkse juridische winterborrel in Den Haag voelde Saskia de blikken in haar rug prikken.
‘Dat is ze, de dochter die de dossiers van haar vader heeft gestolen,’ hoorde ze iemand fluisteren. Maar toen klonk er opeens een bulderende lach. ‘Saskia, daar ben je! ’ Meneer Visser, de vastgoedmagnaat uit Amsterdam-Noord, een man die lak had aan de etiquette van de grachtengordel, beende dwars door de menigte en omhelsde haar alsof ze familie was.
De zaal viel stil. ‘Ik hoorde dat Willem hier ook zou zijn, en ik wilde hem persoonlijk bedanken,’ brulde Visser, zodat iedereen het kon horen. ‘Omdat zijn zoon zo’n ongelooflijke prutser is dat ik eindelijk gedwongen werd om een advocaat te zoeken die haar telefoon opneemt en mijn contracten leest voordat ik teken. Ik ben overgestapt naar Saskia.
En als jullie slim zijn, stappen jullie ook over. Saskia is de toekomst. Willem is een zinkend schip. ’
De genadeslag kwam de volgende ochtend.
Het Financieele Dagblad opende met een artikel dat op elk bureau in zakelijk Nederland lag: ‘De val van een huis, de opkomst van een dochter: hoe een traditioneel advocatenkantoor ten onder gaat aan inertie en nepotisme. ’ De journalist had gesproken met oud-medewerkers en ontevreden cliënten, en hij had de jaarcijfers van De Groot en Zonen naast die van Saskia’s nieuwe firma gelegd. De feiten waren vernietigend. En over de beschuldigingen van diefstal schreef de krant droogjes dat onafhankelijk onderzoek had aangetoond dat er van ontvreemding geen sprake was geweest.
‘Cliënten die kiezen voor kwaliteit boven loyaliteit,’ zo luidde de conclusie. In het kantoor aan de Herengracht was het stil. De telefoons zwegen. De vervangende secretaresse was na twee weken vertrokken omdat ze de sfeer niet trok.
Bram had zich ziekgemeld met stress. Willem las de laatste alinea: ‘De dochter die hij niet goed genoeg vond, heeft hem verslagen met het enige wapen waartegen hij geen verweer heeft. Ze is simpelweg een betere advocaat. ’ Hij legde de krant neer en wachtte op een telefoontje van zijn vrienden uit de sociëteit.
Maar de telefoon bleef stil. Zijn vrienden hielden niet van verliezers. In Rotterdam stond Anke juichend voor haar bureau. ‘We zijn trending op LinkedIn!
Ik heb drie sollicitaties binnen van topadvocaten die bij de grote kantoren weg willen om voor ons te werken. Sas, dit is rechtvaardigheid. ’
Op dat moment verscheen er een nieuwe e-mail op Saskia’s scherm. Van der Valk en Partners, Zuideras.
Saskia’s hart stond even stil. Van der Valk was de Champions League van de advocatuur, het kantoor waar haar vader altijd over sprak, maar waar hij nooit goed genoeg voor was geweest. De mail was kort: ‘Geachte mevrouw De Groot, we hebben uw prestaties met bewondering gevolgd. We zouden graag met u in gesprek gaan over een mogelijke fusie, waarbij u en uw compagnon als senior partners toetreden tot onze maatschap.
’
Anke las mee over haar schouder en floot zachtjes. ‘De Zuidas. Het hol van de leeuw. Durf je het aan?
’
Saskia keek naar buiten, naar de stad die ze had veroverd. ‘Ik ben niet bang voor leeuwen,’ zei ze terwijl ze op beantwoorden klikte. ‘Ik ben er zelf een geworden. ’
Zes maanden later liep Saskia over het Gustav Mahlerplein op de Zuidas.
De lentezon weerkaatste in de duizenden ramen van de wolkenkrabbers. Ze droeg een perfect gesneden pak in kobaltblauw, de kleur van haar nieuwe kantoor. De fusie met Van der Valk was niet het einde van hun onafhankelijkheid geweest, maar de bekroning ervan. Ze hadden hun eigen voorwaarden gesteld: geen old boys network, geen vriendjespolitiek, en een verplichte quotumregeling voor vrouwelijk talent.
De oude garde had gesputterd, maar de cijfers waren te goed om te negeren. ‘Heb je het nieuws gehoord? ’ vroeg Anke, terwijl ze samen naar de ingang liepen. ‘Over het grachtenpand?
De Groot en Zonen is vanochtend officieel ontbonden. Het pand staat te koop. Ik hoorde dat het gestript moet worden. Houtrot in de fundering, prijs op aanvraag.
’
Saskia voelde geen leedvermaat, alleen een stille berusting. ‘Houtrot. Dat zat er al jaren, Anke. Ze hebben het alleen nooit willen zien.
’
‘En Bram? ’ vroeg Anke voorzichtig. ‘Die is oké. Hij werkt nu als accountmanager bij een IT-bedrijf in Eindhoven.
Geen juridische druk meer, geen verwachtingen van vader. Hij klonk opgelucht. Hij was nooit gemaakt voor de advocatuur. Hij was gewoon een pion in vaders spel.
’
‘En Willem? ’
Saskia zweeg. Ze had haar vader niet meer gesproken sinds het artikel. Ze wist dat hij zijn lidmaatschap van de sociëteit had opgezegd, of dat het hem was afgenomen.
Hij deed nu wat losse adviesklussen vanuit zijn huis in het Gooi. ‘Ik zie hem vanmiddag,’ zei Saskia. ‘Ik heb een zitting in de rechtbank. Hij staat op de rol voor een kleine burengeschil.
’
In de gangen van de rechtbank aan de Parnassusweg zag ze hem zitten op een bankje. Willem de Groot zag er ouder uit. Zijn pak, ooit maatwerk uit Londen, hing te ruim om zijn schouders. Zijn haar was dunner, zijn houding minder rechtop.
Toen hij haar zag naderen, verstijfde hij. ‘Vader,’ zei Saskia. ‘Saskia. ’ Zijn stem klonk schor.
Hij keek naar de jonge advocaten die haar in het voorbijgaan groetten met een respectvol ‘mevrouw De Groot’. De ironie ontging hem niet. De naam De Groot betekende weer iets in Amsterdam, maar niet dankzij hem. ‘Ik hoorde van de fusie.
Gefeliciteerd. Het is indrukwekkend. ’
‘Dank je. Ik deed het voor de familie.
’
‘Weet je,’ zei hij plotseling, alsof hij een script had afgedraaid dat hij al duizend keer had geoefend, ‘toen ik Bram koos, dacht ik dat ik de naam beschermde. Ik dacht dat traditie… Ik wilde niet dat je gekwetst zou worden door de harde wereld. ’
Saskia schudde langzaam haar hoofd. ‘Nee, vader.
Je wilde niet dat jouw wereldbeeld gekwetst zou worden door mijn succes. Je koos je vooroordeel boven je eigen kind. ’
Willem keek naar zijn handen. ‘Misschien heb ik fouten gemaakt.
De tijden zijn veranderd. Ik ben oud, Saskia. Misschien kunnen we een keer koffie drinken, praten. Je bent tenslotte mijn dochter.
’
Het was de opening waar ze twee jaar geleden voor op haar knieën zou zijn gegaan. Maar nu zag ze het voor wat het was: een man die zijn erfenis had verkwanseld en zocht naar een reddingsboei. Saskia keek over zijn schouder naar het einde van de gang. Daar stond Anke te wachten, en naast haar stond mevrouw Jansen, die vandaag was meegekomen om de administratie van de nieuwe fusie te regelen.
Zij zwaaide vrolijk. Dat was haar team. Dat waren de mensen die in haar geloofden toen ze niets had. ‘Ik kan geen koffie met je drinken, vader.
Dit is geen wraak. Dit is zelfrespect. Ik ben succesvol geworden ondanks jou, niet dankzij jou. Je hebt me geleerd dat ik niets waard was.
En ik heb mezelf geleerd dat je ongelijk had. Die les is klaar. ’
Ze deed een stap achteruit. ‘Ik wens je het beste met je zaak, vader.
Echt waar. ’
Ze draaide zich om en liep weg, haar hakken stevig op het marmer. Bij Anke en mevrouw Jansen. Buiten scheen de zon.
Saskia maakte haar fiets los, want ook als senior partner kwam ze nog steeds op de fiets. Ze stapte op en trapte de Zuidas af, de stad in die nu van haar was. Vrij.